De schriftuur van de souplesse

Bij het recente werk van Sandra Seghers, waar kalligrafische sporen losfladderen uit een monochrome ondergrond, dringt zich spontaan een zinnetje bij me op. Onaangekondigd, ongevraagd bijna, maar uiterst welkom, heeft dit zinnetje zich uit een bezinksel van herinneringen losgerukt : ‘ach, meneer een mooie vogel wil ik zijn, met mooie vleugels alstublieft meneer Merlijn …’. Zelfs Friedrich Nietzsche legt Zarathustra een gelijkaardig verlangen tot zweven en ontstijgen in de mond en droomt ervan dat ‘alles wat zwaar is licht zal worden, zodat alles wat lichaam is danser wordt en zodat alles wat geest is vogel wordt’. Het citaat geeft de geest aan van het laatste werk van deze kunstenares.
Vertrekkend van het klassieke gegeven van het levend model, streven de lijnen of volumes niet naar een normatieve beschrijving van wat geobserveerd wordt.
Lijnen worden groeibewegingen - geen blinde of willekeurige - maar in hun gekromdheid wekken ze de suggestie van een eigen leven dat geleid wordt. Daardoor verdwijnt de herkenbaarheid van de menselijke figuur op de achtergrond. De plastische elementen zoeken de sensualiteit en verleidingskracht die ze als ding op zich tot uitdrukking kunnen brengen. Ondanks de autonomie en vrijgevochtenheid van de lijn, blijft het gegeven (achter-) grond een rol spelen : de menselijke figuur geldt als vruchtbare bodem en meststof voor de verbeelding, die een nieuwe vorm teweeg brengt.
Zoals bij een plant, is er in deze werken - binnen één en hetzelfde ding dus - sprake van een tegengestelde beweging. Wortels zuigen zich neerwaarts vast in de grond, terwijl het andere deel van de plant zich naar het licht toe begeeft. De herinnering aan de zichtbare realiteit, samen met het monochrome veld vormen letterlijk de grond van de schildering. Uit het egale kleurvlak cultiveert zich het accentuerend volume of speelse lijn. Niet alleen onttovert de lijn zich uit de beschrijving en lijkt zich niet alleen naar het licht te richten. Meer nog : ze wil de ongeremde lichtheid zelf belichamen. Het fenomeen van richtingskracht komt mooi tot uiting in het Franse woord ‘sens’ wat zowel richting als betekenis inhoudt. Julia Kristeva associeert dit begrip zelfs met de wereld van driften, waardoor de dynamische schriftuur een erotische connotatie verkrijgt. Hierdoor drukt de lijn in haar meanderende gedaante zelfs een verlangen uit. Vermits de lijn door abstrahering zich uit de strikte nabootsing bevrijd heeft, ligt dit verlangen grotendeels in de eenvoudige genoegdoening gewoonweg een lijn te kunnen zijn. De betekenis ligt dus niet zozeer in het schrift en de leesbaarheid die hiermee bereikt wordt, maar in de schriftuur zelf. Zoals men een brief kan ontvangen en via het handschrift weet, door wie dit geschreven is. Zelfs zonder de woorden effectief gelezen te hebben.
Het kijkplezier bij deze werken ligt in het spel van continuïteit, cesuur, ritmering, dynamiseren van het vlak, wijken voor de leegte, besliste directheid of eventuele aarzeling. Alhoewel, het is de vraag of er wel echt ruimte voor aarzeling is. De gesso-grond waar Sandra Seghers mee werkt is zuigend, gulzig en ongeduldig. Het gevolg daarvan is dat er snel gewerkt dient te worden. Veel ruimte voor overpeinzing of beredenering is er niet tijdens de realisatie. Dit betekent niet dat de rationaliteit verdronken is, maar biedt slechts gering weerstand aan de energetische stroom van het instinctieve. De gehele picturale realisatie laat zich vergelijken met een afdaling, wie zich voorheen geen behendigheid heeft eigen gemaakt, zal onvermijdelijk falen. Tijdens het creatieproces is elke beslissing onherroepelijk en elke eventuele herneming markeert zich als een litteken van mislukking. Precies deze afgrond, vormt de stimulerende grens waarbinnen het esthetische spel zich uitdagend in kan voltrekken.

Stef Van Bellingen
Februari 2004